
Полная версия:
Морган Райс De Opkomst Van De Draken
- + Увеличить шрифт
- - Уменьшить шрифт
“Dat is geen vos, idioot,” zei hij tegen zijn mannen. “Het is een wolf. Het is het teken van een man van de Koning—een huurling.”
Merk voelde zijn gezicht warm worden toen hij besefte dat ze naar zijn tattoo staarden. Hij wilde niet ontdekt worden.
De dieven staarden zwijgend naar zijn arm, en voor het eerst zag Merk aarzeling in hun ogen.
“Dat is de orde van de killers,” zei één van hen, die hem aankeek. “Hoe heb je dat gekregen, jongen?”
“Hij heeft hem waarschijnlijk bij zichzelf gezet,” zei een ander. “Maakt reizen veiliger.”
De leider knikte naar zijn man, die Merk losliet, en Merk haalde opgelucht adem. Maar toen zette de leider een mes tegen zijn keel aan. Merk vroeg zich af of hij hier vandaag zou sterven. Hij vroeg zich af of dat zijn straf was voor alle moorden die hij had begaan. Hij vroeg zich af of hij klaar was om te sterven.
“Geef hem antwoord,” gromde de leider. “Heb je die zelf gezet, jongen? Ze zeggen dat je honderd mannen gedood moet hebben om dat teken te krijgen.”
Merk dacht na over wat hij moest zeggen. Uiteindelijk, na een lange stilte, zuchtte hij.
“Duizend,” zei hij.
De leider knipperde met zijn ogen, verward.
“Wat?” vroeg hij.
“Duizend mannen,” legde Merk uit. “Dan krijg je die tattoo. En hij is gezet door Koning Tarnis zelf.”
Ze staarden hem aan, geschokt, en er viel een lange stilte, zo stil dat Merk de insecten kon horen bewegen. Hij vroeg zich af wat er nu zou gebeuren.
Ineens barstte één van hen uit in een hysterisch gelach—en alle anderen volgden. Ze lachten en schaterden terwijl Merk daar stond, denkend dat het het grappigste was dat ze ooit hadden gehoord.
“Dat is een goeie, jongen,” zei één van hen. “Je bent net zo’n goede leugenaar als dat je een monnik bent.”
De leider duwde de dolk tegen zijn keel, hard genoeg om bloed te doen verschijnen.
“Ik zei, geef antwoord,” herhaalde de leider. “Een echt antwoord. Of wil je soms meteen dood, jongen?”
Merk voelde de pijn, en hij dacht na over de vraag—hij dacht er echt over na. Wilde hij dood? Het was een goede vraag, een vraag die dieper ging dan de dief dacht. Terwijl hij erover nadacht, er echt over nadacht, besefte hij dat een deel van hem dood wilde. Hij was moe van het leven, doodmoe.
Maar uiteindelijk besefte Merk dat hij niet klaar was om te sterven. Niet nu. Niet vandaag. Niet nu hij klaar was om opnieuw te beginnen. Niet nu hij net van het leven begon te genieten. Hij wilde een kans om te veranderen. Hij wilde een kans om in de Toren te dienen. Om een Wachter te worden.
“Nee, eigenlijk niet,” antwoordde Merk.
Hij keek zijn tegenstander recht in zijn ogen, en voelde een vastberadenheid in zich groeien.
“En daarom,” vervolgde hij, “geef ik je één kans om me vrij te laten, voor ik jullie allemaal dood.”
Ze keken hem zwijgend aan. Toen kwam de leider in actie.
Merk voelde hoe het mes langzaam dieper zijn keel in werd gedrukt, en iets diep van binnen hem overnam. Het was het professionele deel van hem, het deel dat hij zijn hele leven lang had getraind, het deel van hem dat niet meer kon hebben. Het betekende dat hij zijn gelofte moest breken—maar het kon hem niets meer schelen.
De oude Merk kwam zo snel terug, het was alsof hij nooit weg was geweest—en in een oogwenk was hij weer in killer modus.
Merk concentreerde zich en zag de bewegingen van zijn tegenstanders, elk zenuwtrekje, elk drukpunt, elke kwetsbare plek. Het verlangen om hen te doden overspoelde hem, als een oude vriend, en Merk gaf zich eraan over.
In een bliksemsnelle beweging greep Merk de leider bij zijn pols vast, drukte zijn vinger in een drukpunt, boog hem terug tot hij brak. Op het moment dat de dolk uit zijn hand viel, ving hij hem op, en in één snelle beweging sneed hij de man zijn keel door, van oor tot oor.
De leider staarde hem verbijsterd aan voor hij op de grond in elkaar zakte, dood.
Merk draaide zich om naar de anderen, die hem met open mond aanstaarden.
Nu was het Merks beurt om te glimlachen, terwijl hij hen aan keek en genoot van wat er ging komen.
“Soms, jongens,” zei hij, “kies je simpelweg de verkeerde man uit.”
HOOFDSTUK VIJF
Kyra stond in het midden van de drukke brug en voelde alle ogen op zich branden. Iedereen wachtte op haar beslissing over het lot van het zwijn. Ze voelde haar wangen rood worden; ze hield er niet van om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Ze vond het echter fijn dat haar vader haar erkenning gaf, en ze voelde zich trots, voornamelijk omdat hij de beslissing in haar handen had gelegd.
Maar tegelijkertijd voelde ze het gewicht van de verantwoordelijkheid. Ze wist dat haar keus het lot van haar mensen zou bepalen. Hoe erg ze de Pandesianen ook haatte, ze wilde niet degene zijn die haar mensen in een oorlog zou duwen die ze niet konden winnen. Maar ze wilde ook niet opgeven, de mannen van de Heer bemoedigen, en haar mensen ten schande maken. Ze wilde hen niet zwak laten lijken, zeker niet nadat Anvin en de anderen zo dapper voor hun rechten waren opgekomen.
Haar vader, besefte ze, was slim: door de beslissing in haar handen te leggen, had hij het laten lijken alsof het hun beslissing was, en niet die van de mannen van de Heer, en dat alleen al had de eer van zijn mensen gered. Ze besefte ook dat hij de beslissing om een reden in haar handen had gelegd: hij moest hebben geweten dat deze situatie een stem van buitenaf vereiste om ieders eer te redden—en hij had haar gekozen omdat hij wist dat ze niet onbezonnen was. Hoe langer ze erover nadacht, hoe meer ze besefte dat dat de reden was dat hij haar had gekozen: niet om een oorlog te beginnen—daar had hij Anvin voor kunnen kiezen—maar om zijn mensen van een oorlog te redden.
Ze nam een besluit.
“Het beest is vervloekt,” zei ze afwijzend. “Het had bijna mijn broers gedood. Het kwam uit het Doornwoud en is gedood op de avond van de Wintermaan, een dag waarop het verboden is om te jagen. Het was een fout om het door onze poorten te brengen—het had achterlaten moeten worden in de wildernis, waar het thuishoort.”
Ze draaide zich om naar de mannen van de Heer.
“Breng het haar uw Heer Gouverneur,” zei ze glimlachend. “U doet ons er een plezier mee.”
De mannen van de Heer keken van haar naar het beest, en de uitdrukking op hun gezichten veranderde; ze keken nu alsof ze in iets hadden gebeten dat verrot was, alsof ze het niet meer wilden.
Kyra zag Anvin en de anderen haar goedkeurend en dankbaar aankijken—en haar vader nog het meest van allemaal. Ze had het gedaan—ze had de eer van haar mensen gered, ze had hen een oorlog bespaard—en ze had Pandesia bespot.
Haar broers lieten het zwijn op de grond vallen, en het landde met een doffe bons in de sneeuw. Ze deden een stap naar achteren en wreven over hun pijnlijke schouders.
Alle ogen vielen nu op de mannen van de Heer, die duidelijk niet wisten wat ze moesten doen. Kyra’s woorden sneden duidelijk diep; en ze keken nu naar het beest alsof het iets smerigs was dat uit het diepst van de aarde omhoog was gekomen. Ze wilden het niet meer. En nu het van hen was, hadden ze er geen verlangen meer naar.
Na een lange, gespannen stilte gebaarde hun commandant naar zijn mannen om het beest op te pakken. Toen draaide hij zich met een dreigende blik in zijn ogen om en liep weg, duidelijk geïrriteerd, alsof hij wist dat ze hem te slim af was geweest.
De menigte ging opgelucht uiteen, en de spanning leek weg te ebben. Haar vaders mannen kwamen naar haar toe en legden goedkeurende handen op haar schouders.
“Goed gedaan,” zei Anvin, die haar veelbetekenend aankeek. “Je zal op een dag een goede leider zijn.”
De dorpelingen richtten zich weer op hun eigen bezigheden, en de spanning verdween. Kyra draaide zich om en zocht naar haar vaders blik. Ze zag hem op slechts enkele meters afstand naar haar kijken. Hij was altijd gereserveerd naar haar als zijn mannen erbij waren, en deze keer was niet anders—hij had een onverschillige blik in zijn ogen. Maar hij knikte naar haar, een knikje dat, wist ze, zijn goedkeuring betekende.
Kyra keek om en zag Anvin en Vidar hun speren vastgrijpen, en haar hartslag versnelde zich.
“Mag ik met jullie mee?” vroeg ze aan Anvin. Ze wist dat ze naar de trainingsvelden gingen, net als de rest van haar vaders mannen.
Anvin wierp een nerveuze blik op haar vader, wetende dat hij dat af zou keuren.
“Het gaat steeds harder sneeuwen,” antwoordde Anvin aarzelend. “En het wordt al donker.”
“Dat houdt jou niet tegen,” antwoordde Kyra.
Hij grijnsde terug.
“Nee, dat klopt,” gaf hij toe.
Anvin wierp weer een blik naar haar vader, en ze zag hem zijn hoofd schudden voor hij weer terug naar binnen ging.
Anvin zuchtte.
“Ze bereiden een groot feestmaal voor,” zei hij. “Je kunt maar beter naar binnen gaan.”
Kyra kon het zelf ruiken. De lucht was zwaar met de geur van geroosterd vlees, en ze zag haar broers naar binnen gaan, samen met tientallen dorpelingen, die zich opmaakten voor het festival.
Maar Kyra kon alleen maar verlangend naar de trainingsvelden kijken.
“Een maaltijd kan wachten,” zei ze. “Training niet. Laat me meekomen.”
Vidar glimlachte en schudde zijn hoofd.
“Weet je zeker dat je een meisje bent en geen krijger?” vroeg Vidar.
“Kan ik niet beiden zijn?” antwoordde ze.
Anvin zuchtte diep en schudde uiteindelijk zijn hoofd.
“Het zou me mijn kop kosten,” zei hij.
Toen knikte hij.
“Je neemt geen genoegen met nee,” concludeerde hij, “en je hebt meer hart dan de helft dan mijn mannen. Ik geloof dat we er nog wel één kunnen gebruiken.”
*
Kyra rende door het besneeuwde landschap achter Anvin, Vidar en enkele van haar vaders mannen aan, met Leo, zoals gewoonlijk, aan haar zijde. Het begon steeds heviger te sneeuwen, en het kon haar niet schelen. Ze voelde vrijheid, opwinding, zoals altijd als ze door de Vechterspoort ging, de lage, gewelfde opening die uit de stenen muren van het trainingsveld was gesneden. Ze haalde diep adem terwijl de hemel open barstte en ze de plek op rende waar ze het meest van hield, met haar glooiende groene heuvels, nu bedekt met sneeuw, omgeven door een stenen muur, misschien een kwart mijl breed en diep. Ze had het gevoel dat alles was zoals het moest zijn terwijl ze de trainende mannen zag, dravend op hun paarden, zwaaiend met lansen, mikkend op verre doelwitten, in een poging beter te worden. Dit was voor haar waar het leven om draaide.
Dit trainingsveld was gereserveerd voor haar vaders mannen; vrouwen waren hier niet toegestaan, evenals jongens die hun achttiende jaar nog niet hadden bereikt—en wie niet uitgenodigd was. Brandon en Braxton wachtten elke dag vol ongeduld tot ze uitgenodigd zouden worden—maar Kyra vermoedde dat dat nooit zou gebeuren. De Vechterspoort was voor eervolle, door de strijd geharde krijgers, niet voor opscheppers zoals haar broers.
Kyra rende door de velden. Ze voelde zich hier gelukkiger en levendiger dan waar dan ook. De energie was intens. Hier waren tientallen van haar vaders beste krijgers, allemaal gekleed in enigszins verschillende wapenrustingen, krijgers uit alle hoeken van Escalon, die in de loop van de rijd allemaal naar haar vaders fort waren toegetrokken. Er waren mannen uit het zuiden, uit Thebus en Leptis; uit de Middenlanden, voornamelijk uit de hoofdstad, Andros, maar ook uit de bergen van Kos; er waren de westerlingen uit Url riviermannen uit Thusis en hun buren uit Esephus. Er waren mannen die bij het Meer van Ire uit de buurt kwamen, en mannen uit de watervallen van Everfall. Ze droegen allemaal verschillende kleuren, wapenrustingen, hanteerden andere wapens. Het waren allemaal mannen uit Escalon, die ieder hun eigen vesting vertegenwoordigden. Het was een indrukwekkende machtsvertoning.
Haar vader, de voormalige kampioen van de voormalige Koning, een man die veel respect eiste, was de enige man die in deze tijden, in dit gebroken koninkrijk, de mannen kon aansporen. Toen de oude Koning hun koninkrijk zonder gevecht had overgegeven, was het haar vader geweest die mensen had aangespoord om de troon te bestijgen en het gevecht te leiden. In de jaren daarna hadden de beste krijgers van de voormalige Koning hem opgezocht. En nu de strijdmacht elke dag groter werd, kon Volis zich bijna meten met de hoofdstad. Misschien was dat wel waarom de mannen van de Heer de behoefte voelden om hen te vernederen, besefte Kyra.
Elders in Escalon gaven de Heer Gouverneurs van Pandesia ridders niet de kans om zich te verzamelen. Ze gaven hen die vrijheid niet, uit angst voor een opstand. Maar hier in Volis was het anders. Hier hadden ze geen keus: ze moesten het wel toestaan omdat ze de beste mannen nodig hadden om De Vlammen te bewaken.
Kyra draaide zich om en keek voorbij de muren, voorbij de glooiende witte heuvels. In de verte kon ze, zelfs door de sneeuwval heen, nog net de vage gloed van De Vlammen zien. De muur van vuur die de oostelijke grens van Escalon beschermde. De muur van vuur, vijftien meter diep en enkele tientallen meters hoog, brandde hevig als altijd en verlichtte de nacht. Hij strekte zich bijna tachtig kilometer uit, en De Vlammen waren het enige dat Escalon van het land van wilde trollen in het oosten scheidde,
Desondanks braken de trollen elk jaar door De Vlammen heen om chaos te veroorzaken, en als de Bewaarders er niet waren, haar vaders dappere mannen die De Vlammen bewaakten, zou Escalon allang een natie van slaven geweest zijn. De trollen, die bang waren voor water, konden Escalon alleen over het land aanvallen, en De Vlammen waren het enige dat hen buiten hield. De Bewaarders stonden in diensten op wacht, patrouilleerden in rotatie, en Pandesia had hen nodig. Er waren nog anderen gestationeerd bij De Vlammen—dienstplichtigen, slaven en criminelen—maar haar vaders mannen, De Bewaarders, waren de enige ware soldaten, en de enigen die wisten hoe ze De Vlammen konden behouden.
In ruil daarvoor gunde Pandesia Volis en haar mannen hun kleine vrijheden, zoals Volis, deze trainingsvelden, en echte wapens—een manier om een beetje van vrijheid te kunnen proeven en hen het gevoel te geven dat ze nog steeds vrije krijgers waren, ook al was het dan een illusie. Ze waren geen vrije mannen, en dat wisten ze. Ze leefden met een ongemakkelijke balans tussen vrijheid en slavernij die ze niet konden verkroppen.
Maar hier, in de Vechterspoort, waren ze tenminste vrij, zoals ze ooit waren geweest, mannen die konden trainen en hun vaardigheden konden verbeteren. Ze vertegenwoordigden het beste van Escalon en betere krijgers dan degenen die in Pandesia te vinden waren, allemaal veteranen van De Vlammen—en ze draaiden allemaal diensten, op slechts een dag rijden. Kyra wilde niets liever dan zich bij hen aansluiten en zichzelf bewijzen. Ze wilde bij De Vlammen gestationeerd worden om tegen echte trollen te vechten wanneer ze er doorheen braken, en zo haar koninkrijk te beschermen tegen een invasie.
Ze wist natuurlijk dat men dit nooit zou toestaan. Ze was te jong—en ze was een meisje. Er waren geen andere meisjes in de rangen, en zelfs als die er wel waren geweest zou haar vader het nooit toestaan. Ook deze mannen hadden haar als een kind beschouwd toen ze jaren geleden voor het eerst naar hen was komen kijken. Ze waren geamuseerd geweest door haar aanwezigheid. Maar nadat de mannen waren vertrokken bleef ze altijd alleen achter om op de lege velden te trainen en hun wapens en doelwitten te gebruiken. In het begin waren ze verrast geweest wanneer ze de volgende dag waren gearriveerd en pijlmarkeringen in hun doelwitten aan hadden getroffen—en nog meer toen die in het midden waren verschenen. Maar na verloop van tijd waren ze er gewend aan geraakt.
Kyra begon hun respect te verdienen, met name tijdens de zeldzame gelegenheden dat ze met hen mee mocht trainen. Nu, twee jaar later, wisten ze allemaal dat ze doelwitten kon raken die de meesten van hen niet konden treffen—en hun tolerantie voor haar was getransformeerd in iets anders: respect. Ze had natuurlijk niet gevochten, zoals deze andere mannen. Ze had nooit iemand gedood, of op wacht gestaan bij De Vlammen, of tegen een trol gevochten. Ze kon niet vechten met een zwaard of een strijdbijl of een hellebaard of worstelen zoals deze mannen dat konden. Ze had bij lange na hun fysieke kracht niet, iets dat ze ontzettend jammer vond.
Maar Kyra was erachter gekomen dat ze een gave had met twee wapens die haar, ondanks haar grootte en geslacht, tot een formidabele tegenstander maakten: haar boog en haar staf. De eerste had ze zich als vanzelf eigen gemaakt, de tweede had ze bij toeval ontdekt, manen geleden, toen ze niet in staat bleek om een tweesnijdend zwaard op te tillen. De mannen hadden destijds gelachen om haar onvermogen om het zwaard op te tillen, en één van hen had spottend een staf naar haar toegegooid.
“Kijk eens of je deze stok kan optillen!” had hij geroepen, en de anderen waren in lachen uitgebarsten. Kyra was de schaamte die ze op dat moment had gevoeld nooit vergeten.
In het begin hadden haar vaders mannen haar staf beschouwd als een grapje; zij gebruikten het tenslotte als trainingswapen. Ze zagen haar houten stok als een speeltje, en het had haar niet bepaald meer gerespecteerd gemaakt.
Maar ze had het grapje in een onverwacht wapen van wraak veranderd, een wapen dat gevreesd werd. Een wapen waar nu zelfs veel van haar vaders mannen zich niet tegen konden verdedigen. Kyra was verrast geweest door het lichte gewicht, en nog meer toen ze ontdekte dat ze er best goed mee was—zo snel dat ze klappen kon tegen terwijl soldaten hun zwaarden nog niet eens hadden opgetild. Meerdere mannen waar ze mee had gespard waren bont en blauw geslagen, en slag voor slag, had ze zich een weg naar respect gevochten.
Kyra had zich, door eindeloze nachten van trainen, vaardigheden meester gemaakt die de mannen verbijsterden, vaardigheden die geen van hen helemaal begrepen. Ze hadden steeds meer interesse gekregen in haar staf, en ze had hen wat dingen geleerd. Voor Kyra vulden haar boog en haar staf elkaar aan, en waren ze beiden even belangrijk: ze had haar boog nodig voor gevechten op lange afstand, en haar staf voor close combat.
Kyra had ook ontdekt dat ze een aangeboren gave had waar het deze mannen aan ontbrak: ze was lenig. Ze was als een witvis in een zee van langzaam bewegende haaien, en hoewel deze oudere mannen een enorme kracht hadden, kon Kyra om hen heen dansen, in de lucht springen, ze kon zelfs een salto over hen heen maken en in een perfecte koprol landen—of op haar voeten. En haar lenigheid gecombineerd met haar staftechniek was een dodelijke combinatie.
“Wat doet zij hier?” klonk een norse stem.
Kyra, die aan de zijlijn van het trainingsveld naast Anvin en Vidar stond, hoorde paarden naderen en draaide zich om. Ze zag Maltren naar hen toen rijden, geflankeerd door een aantal van zijn vrienden. Hij hijgde nog, vers van de training. Hij keek minachtend op haar neer, en haar maag trok samen. Van al haar vaders mannen was Maltren de enige die haar niet mocht. Om de één of andere reden had hij haar al gehaat vanaf het moment dat hij haar voor het eerst had gezien.
Maltren zat op zijn paard, ziedend van woede; met zijn platte neus en lelijke gezicht. Hij hield ervan om te haten, en hij leek in Kyra een doelwit gevonden te hebben. Hij had altijd iets op haar aanwezigheid tegen gehad, waarschijnlijk omdat ze een meisje was.
“Je zou in je vaders fort moeten zijn, meisje,” zei hij, “en het feestmaal moeten voorbereiden met de andere jonge, onwetende meisjes.”
Leo, die naast Kyra stond, gromde naar Maltren, en Kyra legde een geruststellende hand op zijn kop.
“En waarom is die wolf op ons trainingsveld toegestaan?” voegde Maltren toe.
Anvin en Vidar wierpen Maltren een koude, harde blik toe. Ze kozen Kyra’s kant, en Kyra bleef glimlachend staan, wetende dat ze hun bescherming had en dat hij haar niet kon dwingen om te vertrekken.
“Misschien moet je maar weer gaan trainen,” antwoordde ze spottend, “en je niet druk maken over het komen en gaan van een jong, onwetend meisje.”
Maltren liep rood aan en wist niet wat hij moest zeggen. Hij draaide zich om en wilde wegstormen, maar niet zonder haar nog een trap na te geven.
“Speren vandaag,” zei hij. “Je kunt maar beter uit de buurt blijven van echte mannen die met echte wapens gooien.”
Hij draaide zich om en reed weg. Ze keek hem na. Haar vreugde om hier te zijn was getemperd door zijn aanwezigheid.
Anvin wierp haar een meelevende blik toe en legde een hand op haar schouder.
“De eerste les van een krijger,” zei hij, “is te leren leven met degenen die je haten. Of je het nu leuk vind of niet, je zult zij-aan-zij met hen vechten, en afhankelijk van hen zijn. Vaak komen de ergste vijanden niet van buitenaf, maar van binnen.”
“En degenen die niet kunnen vechten, hebben teveel praatjes,” klonk een stem.
Kyra draaide zich om en zag een grijnzende Arthfael naar hen toelopen. Hij koos haar kant, zoals hij altijd deed.
Net als Anvin en Vidar was Arthfael een lange, trotse krijger met een kaal hoofd en een lange, ruwe zwarte baard. Hij had een zwak voor haar. Hij was één van de beste zwaardvechters, nauwelijks overtroffen, en hij nam het altijd voor haar op. Zijn aanwezigheid stelde haar op haar gemak.
“Het zijn maar praatjes,” voegde Arthfael toe. “Als Maltren een betere krijger was geweest, zou hij zich meer druk maken om zichzelf dan om anderen.”
Anvin, Vidar en Arthfael bestegen hun paarden en reden achter de anderen aan, en Kyra keek hen na. Waarom haatten sommige mensen? vroeg ze zich af. Ze wist niet of ze het ooit zou begrijpen.
Terwijl ze over de velden galoppeerden, bewonderde Kyra de geweldige strijdpaarden. Ze kon niet wachten op de dag dat ze er zelf één had. Ze zag de mannen in cirkels over het veld rijden, langs de stenen muren, zag hoe hun paarden soms uitgleden in de sneeuw. De mannen namen speren aan die hen werden aangereikt door enthousiaste schildknapen, en wierpen ze naar doelwitten in de verte: schilden die aan takken hingen. Wanneer ze raak wierpen, klonk er het herkenbare gekletter van metaal.
Het was moeilijker dan het eruit zag, kon ze zien, om vanaf de paardenrug te werpen, en meerdere mannen misten, voornamelijk wanneer ze op de kleinere schilden mikten. Van de speren die raak waren, raakten slechts weinigen het midden—alleen Anvin, Vidar, Arthfael en een paar anderen wisten nauwkeurig hun doelwitten te raken. Maltren miste een aantal keer. Hij vloekte en wierp haar kwaadaardige blikken toe, alsof het haar schuld was.
Kyra, die warm wilde blijven, haalde haar staf tevoorschijn en begon hem rond te draaien in haar handen, boven haar hoofd, rond en rond, alsof het een levend ding was. Ze haalde uit naar denkbeeldige vijanden, blokkeerde denkbeeldige aanvallen, wisselde van hand, langs haar hals, rond haar middel. De staf was als een derde arm voor haar, het hout versleten na jaren gebruik.
Terwijl de mannen over het trainingsveld galoppeerden, rende Kyra naar haar eigen kleine veldje, een klein stuk dat door de mannen werd genegeerd en dat ze helemaal voor zichzelf had. Stukken wapenrustingen bungelden aan touwen aan een groepje bomen, op verschillende hoogtes, en Kyra rende erdoor heen. Ze deed of elk doelwit een tegenstander was, en raakte ze met haar staf. De lucht vulde zich met het gekletter van hout tegen metaal terwijl ze tussen de bomen door rende, slaand en duikend terwijl ze terugzwaaiden naar haar. In haar beleving waren haar aanvallen en verdedigingen glorieus, en versloeg ze een leger van denkbeeldige vijanden.
“Al iemand gedood?” klonk een spottende stem.
Kyra draaide zich om en zag Maltren naar haar toe rijden, die haar spottend uitlachte voor hij weer verder reed. Ze wilde dat iemand hem eens op zijn plek zou zetten.
Kyra nam een pauze toen ze de mannen zag afstijgen en een cirkel zag vormen in het midden van het veld. Hun schildknapen renden naar voren en gaven hen houten trainingszwaarden, gemaakt van dik eikenhout, die bijna net zoveel wogen als staal. Kyra bleef bij het hek. Haar hart begon sneller te slaan terwijl ze de mannen zag sparren. Meer dan ooit wilde ze dat ze met hen mee kon doen.





