Kaukasische vertellingen
Leo Tolstoy






Kaukasische vertellingen / Eene overvalling; Een houtkapping in het bosch; Een ontmoeting te velde met een moskousch kameraad





INLEIDING


Van den zomer van 1851 tot in den herfst van 1853 was Leo Tolstoy als officier in den Kaukasus. De nieuwe wereld, waarin hij zich daar bevond, maakte een diepen indruk op hem, zoodat zijn verblijf daar, hoe kort ook, rijke vruchten droeg.

De Kaukasus gold voor den beschaafden Rus als een ver paradijs, waarin de zielszieke Europeaan genezing vond. Deze romantische voorstelling van de berglanden aan de scheiding van Europa en Azie was ontstaan door de lyriek van Puschkin, de vertellingskunst van Lermontoff en de romantische schilderingen van Marlinsky. Leo Tolstoy trad met onbenevelden blik de nieuwe wereld, die voor hem open lag, in en ontdoet haar van haar geborgde bekoring. De majesteit der natuur is niet minder groot voor hem, de indrukken niet zwakker, die de onbeschaafde menschen en de onder hun invloed veranderde Rus uit de lagere volksklasse op hem maken. Maar alles krijgt een ander karakter. Het is het verschil tusschen het beeld der werkelijkheid en het idealiseerend, opzettelijk zelfbedrog.

De werken, die aan dit verblijf in den Kaukasus hun ontstaan danken, zijn, behalve De Kozakken: Eene Overvalling (#overvalling), Een Houtkapping in het Bosch (#litres_trial_promo), Een Ontmoeting te Velde met een Moskousch Kameraad (#litres_trial_promo). Niet alle vier zijn in den Kaukasus zelf geschreven. Eene Overvalling dagteekent van 1852, De Houtkapping in het Bosch in de jaren 1854/55 op papier gesteld, midden onder het strijdgewoel van Sebastopol, Een Ontmoeting te Velde dateert van 1856 en De Kozakken zijn eerst een tiental jaren later, in 1861 en in 1863 uitgegeven.

De leidende gedachte in al deze vertellingen is de volgende: afkeer van de beschaving en van die volksklasse, welke zich als uitsluitende draagster der beschaving beschouwt, en liefde voor de eenvoudige, lagere klasse, die onbewust deugden in eere gehouden heeft, welke de beschaafden missen. Hier en daar blijkt ook reeds van zijn afschuw voor den oorlog, een idee, die later, steunende op het evangeliegebod: „Gij zult den booze niet wederstaan” een der voornaamste grondslagen der Tolstoysche levensbeschouwing geworden is.




EENE OVERVALLING





I


Het was den 12den Juli. Kapitein Chlopoff kwam met zijn epauletten en zijn sabel – die ik hem nog niet had zien dragen sinds mijn komst in het Kaukasische leger – de lage deur van mijne hut binnen.

– Ik kom regelrecht van den kolonel, antwoordde hij op den vragenden blik, dien ik hem toewierp; morgen rukt ons bataljon uit.

– Waarheen? vroeg ik.

– Naar N***. Daar zullen zich de troepen verzamelen.

– En vandaar uit zal men zeker een marsch maken?

– Waarschijnlijk wel.

– En waarheen dunkt u?

– Wat ik ervan denk? Ik kan u alleen zeggen wat ik weet. Gisteren nacht kwam spoorslags een Tartaar aanrijden, en bracht bevel van den generaal, dat het bataljon moest opbreken en voor twee dagen beschuit meenemen. Maar waarheen, waarom, en voor hoelang, daar vragen wij niet naar, vriendje. Er is bevel gegeven om op te marcheeren, en daarmee uit!

– Maar als er slechts voor twee dagen beschuit wordt meegenomen, zal men ook wel niet langer onderweg blijven?

– O, dat is nog geen reden…

– Hoe dat?.. vroeg ik verwonderd.

– Och, dat gaat zoo. Wij marcheerden eens naar Darghi, hadden slechts voor acht dagen beschuit bij ons, en bleven bijna een maand uit.

– Zou ik mee mogen gaan? vroeg ik hem, na een oogenblik zwijgen.

– Mogen zult ge wel. Maar ik zou u raden om liever niet mee te gaan. Waarvoor zoudt gij uw leven op het spel zetten?

– Neen, houd mij ten goede dat ik uw raad niet opvolg… Ik heb het al ruim eene maand hier uitgehouden allèèn om de gelegenheid af te wachten een gevecht bij te wonen; en zoudt ge willen dat ik die gelegenheid dan nu voorbij zou laten gaan?

– Ga dan mee. Maar waarachtig zou het niet beter zijn hier te blijven? Gij zoudt hier kunnen wachten, tot we terug kwamen en wat jagen, terwijl wij met God gingen. Waarachtig, dat zou het beste zijn! zeide hij op zulk een overtuigenden toon, dat het mij een oogenblik voorkwam, dat het werkelijk heerlijk zou zijn; daarna zeide ik hem, zoo beslist mogelijk, dat ik voor geen geld zou willen achter blijven.

– Maar wat wilt gij dan zien daar ginds? ging de kapitein voort mij te overreden. Wilt gij weten hoe het in een veldslag toegaat? Lees dan Michaïloffsky-Danileffsky's Beschrijving van den Oorlog, een wonder mooi boek; alles is er haarfijn in beschreven: hoe de verschillende corpsen opgesteld waren, en hoe het in een veldslag toegaat.

– O, neen, dat interesseert mij juist niet, antwoordde ik.

– Maar wat dan? Wilt gij alleen maar zien hoe men menschen doodslaat?.. Zoo hadden wij hier in 1832, ook zoo'n burger, een Spanjaard, geloof ik. Hij maakte twee veldtochten met ons mee in zijn blauw manteltje… Welnu, de snaak werd tenslotte doodgeschoten. Hier zal geen mensch je erg bewonderen, vriendje.

Hoe pijnlijk ik het ook vond dat de kaptein zich mijn bedoeling in zulk een hatelijken zin uitlegde, deed ik toch geen moeite hem uit den droom te helpen.

– Was hij dapper? vroeg ik hem.

– Dat weet God! Hij was altijd vooraan; overal waar men geweergeknetter hoorde, was hij te vinden.

– Hij moet dus wel dapper geweest zijn, herhaalde ik.

– Neen, dat noem ik nog geen dapperheid, om overal rond te loopen, waar men hem niet noodig had…

– Wien zoudt gij dan dapper noemen?

– Dapper! dapper!.. herhaalde de kapitein op die manier van iemand, wien men voor het eerst een dergelijke vraag doet… Dapper is hij, die zich gedraagt zooals het behoort, zeide hij, na een oogenblik nadenkens.

Ik herinnerde mij dat Plato de volgende definitie van moed geeft: „weten wat men moet vreezen en wat men niet moet vreezen.” En ondanks het vage en onduidelijke in de definitie van den kapitein, kwam het mij voor dat de grondgedachte bij beiden niet zoo slecht was, als het misschien schijnt, ja, de definitie van den kapitein was zelfs nauwkeuriger dan die van den Griekschen wijsgeer; want, als hij zich had kunnen uitdrukken als Plato, zou hij stellig gezegd hebben: Dapper is, wie alleen vreest hetgeen men moet vreezen, en niet vreest hetgeen men niet moet vreezen.

De lust bekroop me den kapitein mijne meening duidelijk te maken.

– Ja, zeide ik, mij dunkt dat er in elk gevaar een keus gedaan moet worden, en de keus, die bij voorbeeld door het plichtgevoel geïnfluenceerd wordt, is moed, terwijl de keus, die men doet onder den invloed uit een of ander laag gevoel, lafheid is. Daarom kan men een man, die uit ijdelheid, of uit nieuwsgierigheid of uit hebzucht, zijn leven waagt, niet dapper noemen, en omgekeerd kan men een man, die onder den invloed van een eerbiedwaardig gevoel, terwille zijner familie of enkel uit overtuiging, het gevaar vermijdt, niet laf noemen.

Terwijl ik sprak, keek de kapitein mij met eene vreemde uitdrukking aan.

– Ja, dat gaat me te hoog, zeide hij onder het stoppen van zijne pijp. – Maar wij hebben een jonker die ook van philosopheeren houdt; praat eens met hem; hij maakt ook verzen.

Ik had den kapitein reeds in Rusland ontmoet, maar eerst in den Kaukasus had ik hem leeren kennen.

Zijne moeder, Maria Ivanoffna Chlopoffa, bezat een klein landgoed en woonde twee wersten van mijn bezitting af. Vóór mijn vertrek naar den Kaukasus had ik haar een bezoek gebracht. De oude dame was zeer verheugd dat ik haar Paschenka (zoo noemde zij den ouden kapitein, wiens haren reeds begonnen te grijzen) zou zien, en dat ik, als een levende brief, hem allerlei bijzonderheden over haar leven en doen kon vertellen en hem een pakje van haar kon overbrengen. Na mij op uitstekende taart en gebraden gans onthaald te hebben, ging Maria Iwanoffna naar hare slaapkamer en kwam terug met eene tamelijk groot zwart, heiligenbeeld aan een zijden lintje.

– Dat is het beeld van onze Moeder Gods, zeide zij, onze beschermheilige, en kuste het beeld der Heilige Maagd, dat zij mij vervolgens overhandigde. – Breng hem dat, vadertje. Ziet gij, toen hij naar den Kaukasus vertrok, heb ik eene mis laten lezen, en ik deed de gelofte, dat als hij in leven en ongewond bleef, ik dit beeld der Heilige Maagd zou laten maken. En nu al achttien jaar waken de barmhartige beschermvrouw en de heiligen over hem; niet èèn enkelen keer is hij gewond, en hoeveel veldslagen heeft hij al niet meegemaakt! Toen Michaïlo, die bij hem is geweest, mij daarvan begon te vertellen, wilt gij wel gelooven, dat de haren mij toen ten berge rezen? Ziet ge, alles wat ik daarvan weet, heb ik van anderen; hij zelf, mijn duifje, schrijft mij nooit iets over zijne campagnes; hij is te bang om mij angst aan te jagen…

Ik zelf had in den Kaukasus gehoord en niet van den kapitein zelf, dat hij reeds viermaal gewond was, en inderdaad, hij had er niets van aan zijne moeder geschreven, zoo min als over zijn veldtochten.

– Laat hij nu dit heiligenbeeldje bij zich dragen, vervolgde zij, ik zegen hem daarmee. Vooral in het gevecht moet hij het altijd bij zich dragen; zeg hem, vadertje, dat zijne moeder hem dat laat zeggen.

Ik beloofde, mij getrouw van hare opdracht te zullen kwijten.

– Ik weet zeker, dat gij van hem houden zult, van mijn Paschenka, hernam de oude dame. – Het is zoo'n flink mensch! Geloof mij, er gaat geen jaar voorbij dat hij mij geen geld stuurt, en mijne dochter, Annuschka helpt hij ook, alles alleen van zijne soldij. Waarlijk, ik zal God mijn leven lang danken, dat hij mij zulk een kind gegeven heeft, zeide zij met tranen in de oogen.

– Schrijft hij u dikwijls? vroeg ik.

– Zelden, vadertje; eens per jaar misschien, en ook soms wel een woordje, als hij het geld stuurt. Als ik u niet schrijf, moedertje, heeft hij gezegd, dan is dat een teeken dat ik nog leef en gezond ben; en indien – wat God verhoede – er mij iets mocht overkomen, zullen anderen het u wel schrijven.

… Toen ik den kapitein het geschenk zijner moeder ter hand stelde, (het was in mijn kamer) vroeg hij mij een stuk papier, wikkelde het daar zorgvuldig in en stak het in zijn zak. Ik vertelde hem veel en uitvoerig over het leven van zijne moeder: de kapitein zweeg. Toen ik gedaan had, ging hij in een hoek zitten en stopte opvallend langzaam zijne pijp.

– Ja, een goed oudje, zeide hij uit zijn hoek, met iets gedempts in zijn stem; ik weet niet of God zal toestaan dat wij elkaar nog eens zien.

In die eenvoudige woorden lag zeer veel liefde, maar tevens droefheid opgesloten.

– Waarom dient gij hier? vroeg ik.

– Men moet wel ergens dienen, antwoordde hij, op een toon van overtuiging, en voor een armen duivel als ik, is de dubbele soldij, die wij hier trekken, ook veel waard.

De kapitein leefde zuinig. Kaartspelen deed hij niet, wijn dronk hij zelden, en hij rookte een goedkoope tabak, die hij, waarom weet ik niet, niet rooktabak, maar sambrotalische tabak noemde.

Reeds voor dien tijd beviel de kapitein mij; hij had een van die eenvoudige, kalme Russische gezichten, die men gemakkelijk en met genoegen recht in de oogen kijkt. Maar na dit onderhoud had ik een waar gevoel van hoogachting voor hem.




II


Den volgenden dag kwam de kapitein mij om vier 's morgens halen. Hij droeg een oude, afgedragen overjas, zonder epauletten, de wijde broek der Lesghis[1 - Een Kaukasische volksstam.], een witte papakha[2 - Muts van astrakan.] met gele voering een onaanzienlijke, Aziatische sabel aan een riem over de borst. De kleine schimmel, dien hij bereed, liep met het hoofd omlaag in rustigen tred en zwaaide onophoudelijk met zijn dunnen staart. Hoewel de kapitein er volstrekt niet krijgshaftig en evenmin elegant uitzag, sprak uit zijn voorkomen toch zooveel onverschilligheid voor alles om hem heen, dat hij onwillekeurig achting inboezemde.

Ik liet hem geen oogenblik wachten, steeg dadelijk te paard en wij reden met ons beiden door de groote poort het fort uit.

Het bataljon was ons reeds een paar kilometer vooruit en deed zich aan ons voor als een zwarte, compacte, waggelende massa. Alleen aan de bajonetten, die er als een bundel lange naalden boven uitstaken, zag men dat het infanterie was. Af en toe werd ons oor getroffen door het gezang der soldaten, door tromgeroffel of door de prachtige stem van den tenor der zesde compagnie, naar wien ik in het fort dikwijls met veel genoegen had geluisterd.

De weg ging midden door een diepen, breeden pas, langs een riviertje, dat op dit oogenblik „speelde,” d.w.z. buiten zijn oevers was getreden. Geheele scharen wilde duiven fladderden boven de golven, streken nu eens neer op den steenachtigen oever, beschreven dan weer in de lucht snelle cirkels en verdwenen uit het gezicht. De zon was nog niet zichtbaar, maar de toppen der bergen aan de rechterzijde van den pas werden steeds lichter. De grijze en witachtige rotsen, het geelachtig groene mos, de met dauw bedekte struiken van kruisdoorns, mispels en kurkolmen teekenden zich buitengewoon scherp af in het gouden licht der opgaande zon; daarentegen hing over de hoogte aan den tegenovergestelden kant en over den hollen weg nog een sluier van dichten mist, die zich als een zware rook in ongelijke lagen verdeelde en zich langzaam verplaatste; in zijn sombere vochtigheid vertoonde hij een mengeling van onbepaalde kleuren: bleek lila, zwartachtig donker-groen en wit. Dicht voor ons, teekenden zich de helderwitte massa der besneeuwde bergen verwonderlijk helder tegen het donkere azuur van den horizon af, met hun wonderlijke tot in de kleinste bijzonderheden mooie schaduwen en omtrekken. Krekels, sprinkhanen en duizenden andere insecten ontwaakten in het hooge gras en vervulden de lucht met hun scherp en aanhoudend gesjirp. Het was of een tallooze menigte uiterst fijne klokjes ons in het oor klonken. Tegelijk met de lucht ademde men het water, den nevel en den geur van het gras in, al de geuren van een schoonen zomermorgen.

De kapitein sloeg vuur en stak zijne pijp aan; de geur van zijne tabak en zijn tonder leek mij buitengewoon aangenaam. Wij hadden een korteren weg genomen om de infanterie sneller in te halen. Het kwam mij voor, dat de kapitein meer in gedachten verzonken was dan gewoonlijk; zijn tanden lieten zijn Daghestansch pijpje geen oogenblik los, en bij iederen stap raakten zijn hielen zijn paard, dat, ietwat slingerend gaande, een nauw merkbaar donker groen spoor achterliet in het vochtige, hooge gras. Tusschen de hoeven van het paard vloog een fazant op, met een gekakel en vleugelgeklepper, waarvan een jager zou zijn opgesprongen en steeg langzaam omhoog.

De kapitein schonk hem niet de minste aandacht. Wij waren reeds dicht bij het bataljon, toen achter ons de hoefslag van een galoppeerend paard weerklonk, en op hetzelfde oogenblik reed een zeer aardige, jonge man in officiersuniform met een hooge muts van wit astrakan op, ons voorbij. Toen hij naast ons was, glimlachte hij, knikte den kapitein toe en salueerde met zijne rijzweep. Ik had enkel tijd om op te merken dat hij bijzonder kranig in 't zadel zat en de teugels hield, dat hij fraaie zwarte oogen en een fijnen neus had en dat de vlashaartjes van zijn knevel eventjes begonnen uit te komen. Wat mij vooral in hem bekoorde, was de glimlach, dien hij niet kon inhouden, toen hij bemerkte dat wij met genoegen naar hem keken. Aan dien glimlach alleen zou men hebben kunnen besluiten, dat hij nog zeer jong was.

– Waar vliegt die naar toe? mompelde de kapitein met een ontevreden gezicht, zonder zijn pijp uit zijn mond te nemen.

– Wie is het? vroeg ik.

– De vaandrig Alanine, van mijne compagnie. Hij is eerst de vorige maand bij het corps gekomen, zoo pas van het kadettenkorps.

– Dus dit is zeker het eerste gevecht dat hij zal bijwonen? vroeg ik.

– Ja, en juist daarom is hij zoo vroolijk, zeide de kapitein en schudde het hoofd met een wijsgeerig gezicht. – O die jeugd!

– En waarom zou hij niet vroolijk zijn? Ik begrijp heel goed, dat dit voor een jongmensch zeer interessant moet zijn.

De kapitein zweeg een paar minuten.

– Jawel, zooals ik zeide, 't is de jeugd! hernam hij met een diepe basstem. – Hoe kan men er zich op verheugen voordat men er iets van gezien heeft? Als hij een paar gevechten heeft bijgewoond, zal hij niet meer zoo verrukt zijn. Wij zijn op dit oogenblik zoowat met ons twintigen officieren. Een van ons wordt gewond of gedood, dat is zeker: vandaag ik, morgen gij, overmorgen een derde. Wat is daar nu voor prettigs in?




III


Nauwelijks kwam de zon achter de toppen der bergen op en verlichtte de vallei, waar wij door trokken, of de mist trok op. Het werd warm. De soldaten met het geweer op schouder en den ransel op den rug, marcheerden langzaam voort op den stoffigen weg. Af en toe hoorde men in de gelederen het dialect van de Ukraine en een vroolijk gelach. Eenige oude soldaten in witte uniform – voor het meerendeel onderofficieren – marcheerden op de flanken, met de pijp in den mond en praatten ernstig samen. Rijtuigen, zwaar beladen en met drie paarden bespannen, sukkelden langzaam voort en deden het stof oprijzen, dat onbeweeglijk bleef hangen.

De officieren reden voorop. Eenigen „dhigiteerden” gelijk men in den Kaukasus zegt, dat wil zeggen, zij zetten hun paarden met de zweep aan, lieten ze vier, vijf sprongen maken, pareerden dan op de plaats en wierpen het hoofd naar achter. Anderen schonken hun opmerkzaamheid aan de muzikanten, die ondanks de drukkende hitte, het eene liedje voor en het andere na speelden.

Een paar honderd schreden voor het detachement uit, reed, op een grooten schimmel, een slank en knap officier in Aziatische uniform, naast de bereden Tartaren.

Hij was in het heele regiment bekend om zijn dollen overmoed en als een man, die ieder de waarheid durfde zeggen. Hij droeg een zwarten bechmet met zilver galon, een pantalon van dezelfde kleur, nieuwe, nauw om den voet sluitende laarzen met tschirazen (galons), een gele Tcherkessenjas en een hooge, naar achter afloopende muts. Over borst en rug liepen zilveren koorden, daaraan hingen op den rug kruithoren en pistool; een tweede pistool en een dolk in zilveren schede hingen aan den gordel. Over de kleeding was zijn sabel gegespt, die in een prachtige, met zilver beslagen korduaan-lederen schede stak; over zijn schouders hing zijn windbuks in zwart foedraal. Zijn kostuum, zijn houding, zijn minste bewegingen verrieden, dat hij zich moeite gaf voor een Tartaar gehouden te worden, ook sprak hij tot de Tartaren, die naast hem reden, in eene taal, die mij onbekend was; maar uit de verwonderde, spottende blikken, die zij met elkaar wisselden, maakte ik op dat zij hem niet begrepen.

Het was een onzer jonge officieren, een van die dapperen, gevormd naar de voorbeelden van Marlinsky en Lermontoff, die den Kaukasus slechts zien door het prisma der „helden van onzen tijd[3 - Toespeling op het type, door Lermontoff beschreven in „Helden van onzen tijd”.]”; en in al zijn handelingen volgde hij, niet zijn eigen neigingen, maar het voorbeeld van deze helden.

Deze luitenant, bijvoorbeeld, was waarschijnlijk gesteld op het gezelschap van fatsoenlijke dames en ernstige mannen – generaals, kolonels, oversten; – ja, ik weet zeker dat hij van zulk gezelschap hield, want hij was in de hoogste mate ijdel; maar toch achtte hij zich onvoorwaardelijk verplicht, alle ernstige mannen den rug toe te keeren, met een soort van beschaafde lompheid, en als er eene dame in het fort kwam, rekende hij het zich tot plicht met zijn vrienden, slechts in een rood hemd gekleed en de bloote voeten met lappen omwikkeld, langs haar venster te loopen en zooveel mogelijk leven te maken, volstrekt niet om haar te beleedigen, maar om haar te laten zien dat hij mooie blanke voeten had, en dat men gemakkelijk verliefd op hem kon worden, als hij er zich maar toe wilde leenen.

Of wel hij ging vaak met twee of drie onderworpen Tartaren heele nachten het gebergte in; dan gingen zij de vijandelijke Tartaren beloeren en doodschieten; en, hoewel zijn gevoel hem vaak genoeg zeide, dat daar niets heldhaftigs in was, meende hij dat het zijn plicht was die menschen te doen lijden, die hem, naar hij zich verbeeldde, teleurstellingen bereid hadden en die hij haatte en verachtte. Hij droeg altijd twee dingen bij zich: een zeer groot heiligenbeeld om zijn hals en een dolk aan een riem boven zijn hemd; hij legde ze zelfs niet af als hij naar bed ging. Hij geloofde vast dat hij vijanden had; zich zelf wijs te maken dat hij zich op anderen had te wreken, en een beleediging in bloed moest uitwisschen, was zijn hoogste genot. Hij was stellig overtuigd dat deze gevoelens van haat, van wraak en van verachting voor het menschdom verheven en dichterlijk waren: maar zijne maîtresse, een Tcherkessische natuurlijk, verzekerde mij, toen ik haar later toevallig eens sprak, dat hij een uiterst zacht en goedaardig man was, en dat hij des avonds na eerst sombere aanteekeningen neergeschreven te hebben, netjes zijn inkomsten en uitgaven noteerde en op de knieën zijn gebed deed. Hoeveel had hij al niet geleden om alleen voor zich zelf te schijnen wat hij wilde zijn! Want zijn kameraden en de soldaten hadden een geheel andere meening van hem dan hij hun wilde geven.

Op zekeren keer, bij een zijner nachtelijke excursies, gebeurde het dat hij een Tschetscheensch opstandeling aan het been kwetste en krijgsgevangen maakte. Deze Tschetscheen leefde zeven weken aan één stuk bij den luitenant, die hem als zijn besten vriend oppaste, en toen hij genezen was, zond hij hem weg met geschenken. Later, op eene expeditie, toen de luitenant zich met de voorpostenlinie moest terugtrekken, hoorde hij in de vijandelijke gelederen zijn naam roepen: zijn vriend, de Tschetscheen, kwam naar voren rijden en wenkte hem. De luitenant kwam nader en drukte hem de hand; de bergbewoners waren in de nabijheid, maar schoten niet, doch nauwelijks had hij zijn paard gewend, of er werden verscheidene schoten op hem gelost, en een kogel ontvelde hem de dij.

Een anderen keer, zag ik zelf hoe in het fort brand uitbrak: twee compagnieën waren bezig met blusschen. Midden in die menigte, hel door de vlammen verlicht, vertoonde zich eensklaps de silhouet van een man te paard. De donkere gedaante baande zich een doortocht en naderde tot vlak bij het vuur. Toen sprong de luitenant – hij was het – van het paard en wierp zich in den vuurgloed. Vijf minuten later kwam hij er uit, met verschroeide haren en verzengde mouwen en beschermde met zijne armen twee duiven, die hij uit de vlammen had gered.

Hij heette Rosenkranz. Maar hij sprak gaarne van zijne voorouders, die hij tot de Warägers liet opklimmen, en hij zocht ons zonneklaar te bewijzen, dat zijne voorvaderen en hij volbloed Russen waren.




IV


De zon had reeds de helft van hare baan doorloopen, en zond door de gloeiende lucht hare stralen op de droge aarde af; de donkerblauwe hemel was volkomen helder; alleen de voet der besneeuwde bergen werd langzamerhand gehuld in een sluier van lichten witten damp. De stille lucht scheen vervuld van een doorzichtig stof; het was ondragelijk heet geworden. Halfweg het nachtkwartier, aan den oever eener beek, hield het detachement halt. De soldaten zetten hunne geweren aan rotten en snelden naar het water. De bataillons-commandant ging in de schaduw op eene trom zitten en met een gezicht, waarop ten volle het besef van het gewicht van zijn rang stond te lezen, maakte hij zich gereed om met eenige zijner officieren te gaan eten. De kapitein strekte zich op het gras uit, in de schaduw van den proviandwagen der compagnie. De dappere luitenant Rozenkranz en nog eenige andere jonge officieren gingen op hun uitgespreide mantels zitten en hadden blijkbaar het voornemen zich duchtig te goed te doen, te oordeelen naar het aantal flacons en flesschen, die werden klaargezet, en vooral ook naar de bijzondere opgewektheid der zangers, die, in een halven kring om hen heen gezeten, een nationalen dans van den Kaukasus zongen op de wijze van de Lesginka:[4 - Nationale dans der inboorlingen.]

		Schamyl wilde opstand maken
		Eens heel lang geleden,
		Traï-raï, ra-ta-taï…
		Eens heel lang geleden.

Onder deze officieren was ook de piepjonge vaandrig, die ons des morgens was voorbijgereden. Hij was zeer grappig, zijn oogen schitterden, zijn tong sloeg een weinig dubbel; hij overstelpte ieder met betuigingen van vriendschap. Arme jongen! Hij wist nog niet, dat men in zulk een opgewondenheid belachelijk kon zijn, en dat de openhartigheid en teederheid, waarmee hij zijne kameraden lastig viel, hem niet hun genegenheid konden verwerven, maar hem hun spot op den hals zou halen. Hij wist ook niet hoe mooi hij was, toen hij zich eindelijk in gloeiende opwinding op zijn mantel uitstrekte, met het hoofd op de armen en de dichte zwarte lokken naar achteren geworpen.

Twee officieren zaten onder den proviandwagen kaart te spelen op een reiskoffer.

Ik luisterde nieuwsgierig naar de gesprekken der officieren en soldaten, ik ging met een oplettend oog de uitdrukking hunner gezichten na. Maar stellig kon ik bij geen hunner ook maar de schaduw van de ongerustheid, die ik zelf gevoelde, opmerken: uit hun grappen, hun gelach, hun verhalen sprak eene volmaakte onverschilligheid en onbezorgheid voor de dreigende gevaren. Zij schenen er zelfs niet aan te denken dat menigeen hunner niet meer langs dien weg zou terugkeeren.




V


Des avonds om zeven uur kwamen wij, geheel bestoven en vermoeid, de groote, versterkte poort van de vesting N*** binnen. De ondergaande zon wierp schuine rose stralen op de schilderachtige batterijen en op de tuinen met de hooge populieren, die de vesting omgaven, op de bebouwde, geelachtig schemerende velden en op de witte wolken, die zich langs de besneeuwde bergtoppen opstapelden, alsof zij het hen wilden nadoen en daar een tweede, niet minder wonderlijke en schoone keten vormen. De kleine sikkel der wassende maan verscheen aan den horizon als een doorzichtig wolkje. In den aul,[5 - Dorp in de taal der inboorlingen] aan de poort van de vesting gelegen, riep een Tartaar boven van het dak zijner leemen hut de vromen op tot het gebed. De zangers zetten met nieuwen moed in.

Na wat toilet gemaakt te hebben en een weinig uitgerust te zijn, begaf ik mij naar een mijner vrienden, een adjudant, om hem te verzoeken den generaal mijn voornemen mee te deelen. Buiten gekomen, had ik gelegenheid in de vesting een schouwspel te zien, dat ik daar niet zou verwacht hebben. Een koket rijtuig voor twee personen passeerde mij; ik zag een elegant vrouwenhoedje en ving enkele brokken van een gesprek in het Fransch op. Uit het openstaande venster van het huis van den kommandant klonken de tonen van een of andere „Liesjes” of „Kaatjes” polka, die op een ontstemde piano gespeeld werd. Toen ik voorbij een café kwam, zag ik daar eenige schrijvers zitten met de sigarette in den mond en een flesch wijn voor zich, en ik hoorde een hunner zeggen: „Houdt mij ten goede… wat de politiek betrof, was Maria Grigorieffna bij ons de eerste…” Een oude jood met een versleten jas aan en een ziekelijk voorkomen, torschte met moeite een valsch draaiorgel, en over de geheele voorstad klonk de finale van Lucie de Lammermoor.

Twee vrouwen in ruischende japonnen, zijden foulards om den hals en hel gekleurde parasols in de hand, bewogen zich met lichten gang vóór mij op het houten trottoir. Twee jonge meisjes, de eene in eene hemelsblauw, de andere in eene rose kleedje, stonden blootshoofds voor een huisje en lachten op een schelle en gedwongen manier, blijkbaar om de attentie te trekken van de officieren, die voorbijgingen. De officieren in nette uniform, met witte handschoenen en glinsterende epauletten stapten trots over straat en den boulevard.

Ik vond mijn vriend in de beneden-verdieping van het huis des generaals. Nauwelijks had ik mijn verlangen meegedeeld, en hij mij verteld, dat daar geen bezwaren tegen waren, of wij zagen voor het venster, waaraan wij stonden praten, het kokette rijtuig, dat ik daareven gezien had. Het hield stil en er steeg een slank, zeer statig man uit in de uniform van de linietroepen, met majoors-epauletten. Hij ging bij den generaal binnen.

– Excuseer mij, zeide de adjudant, ik moet hem bij den generaal gaan aandienen…

– Wie is er dan aangekomen? vroeg ik.

– De gravin, antwoordde hij terwijl hij zijne uniform dichtknoopte, en vlug liep hij de trap op.

Een paar minuten later kwam er een gezet, maar knap man, met een jas zonder epauletten en een wit kruis in het knoopsgat op het bordes. De majoor, de adjudant en twee andere officieren volgden hem. Uit den gang, de stem en al de bewegingen van den generaal bleek duidelijk, dat hij doordrongen was van zijn hooge waarde.

– Bonsoir, madame la comtesse, zeide hij en reikte haar door het portier de hand.

Een kleine, met fijn hondenleer gehandschoende hand drukte die van den generaal, en een lief, lachend gezichtje werd onder een gelen hoed in de opening zichtbaar.

Van het geheele gesprek, dat slechts een paar minuten duurde, hoorde ik in 't voorbijgaan alleen den generaal glimlachend zeggen:

– Vous savez que j'ai fait voeu de combattre les infidèles, prenez donc garde de le devenir.[6 - Gij weet dat ik een gelofte gedaan heb om de ontrouwen (of: ongeloovigen. Het is dus een woordspeling. Vert.) te bestrijden, pas dus op dat gij het niet wordt.]

Er klonk een heldere lach in het rijtuig:

– Adieu donc, cher général.

– Non, au revoir, zeide de generaal, terwijl hij de trap opging. Denk er om, dat ik mijzelven inviteer voor de soirée van morgen.

Het rijtuig reed weg.

– Dat is nu een man, dacht ik op den terugweg, die alles heeft wat een Rus begeert: een graad, rijkdom, hoogen adel; en die man staat daar, den dag voor een veldslag, die God weet hoe zal afloopen, te gekscheren met een lieve vrouw, en belooft haar, den volgenden avond op de thee te komen, alsof hij haar op een bal had ontmoet.

Ik vond bij den adjudant ook nog een jongen man, over wien ik mij nog meer verwonderde; het was een luitenant van het regiment K***, die zich onderscheidde door zoo zachtmoedig en zoo verlegen als een jong meisje te zijn. Hij was naar den adjudant gekomen om zijn spijt en zijn verontwaardiging te uiten tegen anderen die, naar hij beweerde, tegen hem intrigeerden, opdat hij geen deel zou nemen aan de expeditie. Hij zeide dat het laag was aldus te handelen, dat het van weinig kameraadschap getuigde, dat hij het zou onthouden, enz.

Hoe scherp ik zijn trekken bestudeerde, hoe aandachtig ik naar den klank zijner stem luisterde, ik moest erkennen, dat hij niet veinsde. Hij was werkelijk diep verontwaardigd en bedroefd, dat hij niet in de gelegenheid zou zijn, op de Tscherkessen te schieten en aan hun schoten bloot te staan. Hij was kwaad, evenals een kind, dat onverdiend klappen heeft gekregen… Mij was dat alles totaal onbegrijpelijk.




VI


Om tien uur 's avonds moet de colonne zich op marsch begeven. Om half negen steeg ik te paard en begaf mij naar den generaal; maar, veronderstellende dat hij en zijn adjudant het druk zouden hebben, steeg ik op straat af, maakte mijn paard aan de palissaden vast en ging op de javalinka[7 - Het opgehoogde zand rondom de huizen.] zitten, om mij bij den generaal te voegen zoodra hij buiten zou komen.

De warmte en de zonnegloed hadden reeds plaats gemaakt voor de koelte van den nacht en het matte licht der wassende maan, die rondom zich een bleek-lichtenden kring op het blauw van den hemel vormde en reeds begon onder te gaan. Door de vensters der huizen en door de spleten in de blinden der hutten schemerde licht. De slanke populieren, die zich in de verte achter de witgekalkte, door het maanlicht beschenen hutjes met de stormdaken verhieven, schenen zwarter en hooger. De lange schaduwen der huizen der boomen en heggen teekenden zich bevallig af tegen den helderlichten, stoffigen weg. Het gekrijsch der kikvorschen weerklonk boven de rivier.[8 - De kikvorschen in den Kaukasus brengen een geluid voort, dat niets gemeen heeft met het kwaken van onze kikvorschen.] Op straat hoorde men nu eens snelle schreden, dan enkele woorden van een gesprek of den galop van een paard. Van den kant der voorstad drong van tijd tot tijd de melodie van een draaiorgel door, nu eens een bekend lied uit de Ukraine, dan weer de een of andere „Aurora-Walzer.”

Ik zal niet zeggen waar ik aan dacht: ten eerste zou ik mij schamen te bekennen, dat het sombere gedachten waren, die mij onafweerbaar beslopen, terwijl ik rondom mij niets dan vreugde zag; en ten tweede heeft dat ook weinig met mijn verhaal te maken. Ik was zoo in gedachten verzonken, dat ik niet eens bemerkte, dat de klok elf uur sloeg en de generaal met zijn geheele gevolg mij voorbijreed.

De achterhoede was nog in de vestingpoort. Niet dan met moeite kon ik mij op de brug een weg banen tusschen de opeengedrongen kanonnen, de kruitwagens, de proviandwagens en de officieren, die luide hun orders gaven, door. Toen ik buiten de poort was, draafde ik langs den troep, die zich over een lengte van een werst uitstrekte, en bereikte den generaal. Terwijl ik voorbij de artillerie reed, die in prachtige orde voorttrok en de officieren, die er te paard tusschen reden, hoorde ik, als een groven dissonnant in deze plechtige harmonie de ruwe stem van den Duitscher. Hij riep: „Achtillechist geef me de lont,” en de stem van een soldaat zeide dienstvaardig: „Schwerefftschenko, de heer luitenant wenscht vuur.”

Het grootste deel van den hemel was langzamerhand bedekt met lange, sombere, grijze wolken; slechts hier en daar schitterde mat eene ster daartusschen. De maan was reeds achter de zwarte bergen rechts aan den horizon verdwenen, en wierp over hun toppen heen een zwak, trillend schemerlicht, dat toch scherp afstak tegen het ondoordringbare duister aan hun voet. De lucht was zoo stil en zoo warm, dat er geen enkel grassprietje, geen wolkje bewoog. Het was zoo duister, dat men zelfs de dingen in de naaste omgeving niet onderscheiden kon. Rechts en links van den weg zag ik nu eens rotsen, dan weer dieren, dan weer menschen van vreemd voorkomen – en ik merkte eerst dat het struiken waren, als ik ze hoorde ritselen en de koude dauw voelde, die aan haar bladeren hing. Voor mij zag ik een compacte, golvende, donkere massa zich voortbewegen, en daar achter eenige beweeglijke vlekken: het was de voorhoede te paard, en de generaal met zijn gevolg. In de heele colonne heerschte zulk een stilte, dat men duidelijk al de wegstervende, geheimzinnige geluiden van den nacht kon hooren: het verre, klagende gehuil der jakhalzen, dat nu eens klonk als wanhopig geschrei, dan weer als gelach; het eentonige, schelle gesjirp van krekels, het krijschen der kikvorschen, het slaan der kwartels, een niet te beschrijven gebrom dat steeds nader kwam, en heel dat bijna onmerkbaar nachtelijk leven der natuur, dat men evenmin kan begrijpen als weergeven: dat alles smolt samen tot een enkelen toon, den vollen harmonischen toon, dien wij de stilte van den nacht noemen. Die stilte wisselde af of liever vermengde zich met het dof gedreun der hoeven en het geritsel van het hooge gras, dat platgetrapt werd door de langzaam voorwaarts gaande colonne.

Slechts een enkelen keer hoorde men het gerol van een zwaar kanon, het kletteren der tegen elkander stootende bajonetten, onderdrukt gepraat en het brieschen van paarden.

De natuur ademde eene schoonheid en eene kracht, die tot kalmte stemden.

Is den menschen dan werkelijk het leven te eng op deze schoone aarde, onder den oneindigen sterrenhemel? Hoe kunnen temidden dezer verrukkelijke natuur in de ziel des menschen gevoelens van woede en wraak en hartstocht om zijn naasten te vernietigen, bestaan? Al het kwade, dat er woelt in het menschelijke hart moest, dunkt mij, verdwijnen bij de aanraking met de natuur – deze rechtstreeksche uitdrukking van het schoone en goede.




VII


Wij zaten reeds meer dan twee uur te paard. Ik voelde een lichte huivering van kou en de slaap beving mij. In de duisternis zag ik dezelfde donkere dingen onduidelijk voor mij: op geringen afstand zag ik den zwarten muur en de zwarte bewegelijke vlekken; zeer dicht naast me den rug van een schimmel, die met den staart sloeg, een rug in een wijden tscherkeska, waarover een geweer in zwart foedraal en de witte greep van een pistool in een gelapten pistoolholster, het vuur van een cigaret, dat een blonden knevel, een beverkraag en een gehandschoende hand verlichtte. Ik boog mij over den hals van mijn paard, sloot de oogen en sluimerde een oogenblik in.

Eensklaps werd ik wakker door het bekende geluid van hoefslagen en door geruisch; ik zag om en een oogenblik leek het alsof ik op mijn plaats bleef en de zwarte muur vòòr me op me toekwam. Ik hoorde een dichtbij komend dof gebrom, dat ik mij niet had kunnen verklaren: het was het geruisch van water. Wij waren nu in een hollen weg en naderden een bergstroom, die juist op het sterkst gezwollen was.

Het gedruisch werd sterker, het natte gras werd dichter en hooger, de struiken werden zeldzamer, de horizon steeds beperkter. Van tijd tot tijd zag men tegen den donkeren achtergrond der bergen op verschillende plaatsen heldere vuren opschieten en even snel weer verdwijnen.

– Zeg me toch eens, wat die vuren beteekenen? vroeg ik fluisterend aan den Tartaar, die naast mij reed.

– Weet gij dat dan niet? vroeg hij.

– Neen.

– Het zijn brandende bossen stroo, die de bergbewoners aan een stok heen en weer zwaaien.

– En waarvoor?

– Opdat iedereen wete, dat de Rus in aantocht is. Nu zitten zij in de dorpen te beven! Alle have en goed zullen ze in de bergkloven wegstoppen, voegde hij er lachend bij.

– Maar weten zij dan al, dat de troep in aantocht is?

– Wel ja! hoe kan het ook anders? Zij weten het altijd. De onzen zijn zulk een raar volk!

– Dus maakt Schamyl zich nu strijdvaardig? vroeg ik.

– Neen, antwoordde hij en schudde met het hoofd ten teeken van ontkenning. Schamyl zal niet meevechten. Schamyl zal er zijn nahibs[9 - Luitenants.] op afsturen, en zal zelf, boven op een berg, door een verrekijker zitten turen.

– Woont hij ver weg?

– Neen, niet ver. Misschien tien wersten daar links.

– Hoe weet gij dat? Zijt gij er soms geweest?

– Ja. Onze mannen zijn allen in de bergen geweest.

– En hebt gij Schamyl gezien?

– O, wel neen! Schamyl krijgen wij niet te zien. Honderd, driehonderd, duizend wachters zijn om hem en middenin is Schamyl, zeide hij, met een uitdrukking van overdreven eerbied.

Als men omhoog keek, kon men merken dat het aan den helder wordenden hemel reeds licht begon te worden. Maar in de bergengte, waarin wij voorttrokken, was het nog donker en vochtig.

Eensklaps schitterden er, dicht voor ons, lichtstralen in de duisternis. In hetzelfde oogenblik zwermden kogels fluitend door de lucht en midden in de stilte rondom ons klonken knallende geweerschoten en schelle kreten. Het was een piket van de voorhoede des vijands. De Tartaren, waaruit het piket bestond, hadden op goed geluk geschoten onder het slaken van een oorlogskreet, en stoven toen uit elkaar.

Algemeene stilte weer rondom ons. De generaal riep den tolk. Een Tartaar, in den witten rok der Tcherkessen, ging naar hem toe, en sprak fluisterend en met drukke gebaren langen tijd met hem.

– Kolonel Chassanoff, laat de tirailleurslinie uitzwermen, zeide de generaal met gedempte, langzame, maar zeer duidelijke stem.

Het detachement bereikte de rivier, de zwarte bergen en de bergkloof achter zich latend. De dag begon aan te breken. De hemel, waaraan hier en daar nog een enkele bleeke ster te zien was, scheen nu hooger geworden te zijn; in het oosten gloeide het morgenrood hel op. Een frissche, doordringende bries woei uit het westen en een lichte nevel steeg als damp boven de bruischende rivier op.




VIII


De gids wees een doorwaadbare plaats, en de voorhoede der ruiterij passeerde de rivier, spoedig gevolgd door den generaal en zijn staf. Het water sloeg de paarden tegen de borst, en stortte zich met buitengewoon geweld tusschen de witte steenen door, die hier en daar uit het watervlak omhoog staken; tusschen de beenen der paarden vormde het een dwarrelende schuimende kolk. De paarden aarzelden bij het ruischen van het water, hieven den kop op en spitsten de ooren; langzaam en voorzichtig stapten zij over den ongelijken bodem tegen den stroom in. De ruiters beurden hun beenen en hun wapens in de hoogte. De infanteristen letterlijk tot op het hemd toe uitgekleed, hielden hun kleederen aan de punt van het geweer in de hoogte; bij troepen van twintig grepen ze elkaar bij de hand en trachtten zij tegen de strooming in te gaan; de inspanning stond hun op het gelaat te lezen. De artilleristen joegen, met luid geschreeuw, hun paarden in vollen draf de rivier in. De kanonnen en de groene kruitwagens, waar het water af en toe overheen spatte, ratelden over den steenachtigen bodem. Maar de moedige Kozakkenpaardjes trokken wakker aan de strengen, kliefden den schuimenden vloed en klommen met druipende manen en staart, op den anderen oever.

Toen de overtocht volbracht was, drukte het gelaat van den generaal plotseling een zeker ernstig nadenken uit. Hij liet zijn paard zwenken, en, door de cavalerie gevolgd, draafde hij dwars over een door het bosch begrensde weide heen, die zich voor ons uitstrekte. Bereden Kozakkenpatrouilles zwermden langs den woudzoom.

Tusschen de boomen dook een man te voet in een tscherkeska en met een muts van schapenvel op, toen nog een, daarop nog een… Een der officieren zeide:

– Het zijn de Tartaren.

Daar werd ook een rookwolkje zichtbaar achter een boom… Een geweerschot, nog een… Ons sneller schieten overstemde het vijandelijke vuur. Slechts van tijd tot tijd bemerken wij aan het gefluit van een kogel, over ons hoofd, een geluid als het gegons van eene bij, dat niet alle schoten van ons komen. Daar rukken de infanteristen in den looppas en de kanonnen in vollen draf aan naar de vuurlinie. Men hoort het dreunend kanongedonder, den metaalklank van de voortvliegende kartets, het gesis der houwitsers, het knetteren der geweren. De cavalerie, de infanterie en de artillerie duiken van alle kanten op de uitgestrekte weide op.

De rookwolkjes der kanonnen, der houwitsers en der geweren vloeien samen en worden één met het door dauw bedekte groen en den nevel. Kolonel Chassanoff galoppeert naar den generaal en doet zijn paard in vollen gang met een ruk stilhouden.

– Excellentie, zegt hij en brengt de hand aan de muts, beveelt u dat de cavalerie een charge zal doen? Er zijn veldteekens[10 - Deze veldteekens hebben bij de bergbewoners bijna de beteekenis van vaandels, met dit onderscheid dat iedere „djighite” zijn eigen teeken kan maken en voeren.] opgestoken.

En met zijn karwats wees hij naar de Tartaarsche ruiters, die voorafgegaan werden door twee mannen, welke, op witte paarden gezeten, roode en blauwe lappen aan de lansen droegen.

– Ga met God, Ivan Michaïlovitsch, zegt de generaal. De kolonel laat zijn paard zwenken, trekt zijn sabel en roept: – Hoera!

– Hoera! hoera! hoera! klinkt het uit de gelederen, en de cavalerie stormt hem na.

Allen zien vol belangstelling toe; daar is een veldteeken, nog een, nog een…

Zonder de charge af te wachten, verdwijnt de vijand in het bosch en opent vandaar een goed onderhouden geweervuur. De kogels vallen steeds dichter.

– Een charmant gezicht! zegt de generaal, terwijl hij zijn dunbeenigen volbloed op Engelsche wijze op en neer laat huppelen.

– Charmant! antwoordt de majoor, de „r” latende rollen, geeft zijn paard een slag met de karwats, en rijdt naar den generaal. „Men zou voor zijn plezier oorlog voeren in zulk een mooi land,” zegt hij.

– En vooral in zulk aangenaam gezelschap, voegt de generaal er met een vriendelijk lachje bij.

De majoor boog.

Op dit oogenblik vliegt met een snel, hatelijk sissen een kogel voorbij en slaat ergens in. Achter mij hoor ik het gekerm van een gekwetste. Dit gekerm doet mij zoo vreemd aan, dat het geheele militaire schouwspel in eens al zijne bekoorlijkheid voor mij verliest; behalve ik schijnt niemand dat echter te merken: de majoor lacht luidkeels, een ander officier begint rustig een afgebroken zin opnieuw. De generaal kijkt een anderen kant uit, en zegt, met het kalmste glimlachje van de wereld, eenige woorden in het Fransch.

– Beveelt gij dat wij hun vuur beantwoorden? vraagt de chef der artillerie, terwijl hij in galop nadert.

– Ja, maak ze maar eens bang, zegt de generaal en steekt nonchalant eene sigaar op.

De batterij stelt zich in positie en het vuur begint. De grond dreunt van den donder van het geschut. Onafgebroken bliksemt het vuur en de rook wordt zoo dik, dat men nauwelijks de manschappen ziet, die de stukken bedienen.

Het dorp wordt gebombardeerd. Kolonel Chassanoff komt weer aanrijden, en op bevel van den generaal, rent hij naar het dorp. Het krijgsgeschreeuw klinkt opnieuw, en de cavalerie verdwijnt onder de wolken van stof, die zij opjaagt.

Het schouwspel was werkelijk grootsch. Voor mij echter, die er geen deel aan had genomen en weinig vertrouwd was met oorlogszaken, was er iets dat den algemeenen indruk bedierf: de indruk dat al die bewegingen, van al die drukte en dat geschreeuw, eigenlijk nutteloos waren. Onwillekeurig kwam de vergelijking mij voor den geest van een man, die uit alle macht met zijn bijl de lucht klieft.




IX


Het dorp was reeds door de onzen bezet en er was geen enkele vijand meer te bekennen, toen de generaal kwam aanrijden met zijn gevolg, waarbij ik mij ook gevoegd had.

Het dorp bestond uit lange, nette hutten met leemen platte daken, gebouwd op ongelijke, steenachtige heuvels, waartusschen een beekje doorkronkelde. Aan den eenen kant zag men, in het felle licht der zon, groene tuinen met pere- en pruimeboomen; aan den anderen kant rezen vreemde schaduwen omhoog: de loodrecht staande, groote steenen van een kerkhof, en lange houten staken, van boven met een bal en veelkleurige vlaggen: het waren de graven der militaire hoofden.

De troepen hadden zich in goede orde voor de poort opgesteld.

Een minuut later verspreiden de dragonders, de kozakken en het voetvolk zich zichtbaar verheugd in de bochtige straten, en er komt onmiddellijk leven in het verlaten dorp. Hier ziet men een dak instorten of een planken deur onder de slagen der bijlen bezwijken, daar brandt een hooimijt, een haag of een huis. Een dikke rook stijgt kronkelend op in de heldere lucht. Daar komt een Kozak aansleepen met een zak meel en een tapijt. Een soldaat draagt met een gelaat, dat van vreugde straalt, een blikken kom en een gescheurden doek uit een hut. Een ander tracht, met uitgestrekte armen, twee kippen te grijpen, die kakelend tegen een heg opvliegen. Een derde heeft ergens een kolossale kruik met melk gevonden, drinkt er uit en werpt haar vervolgens, luidkeels lachende, tegen den grond.

Het bataillon, waarmee ik het fort N*** had verlaten, was ook in het dorp. De kapitein zat op het dak van eene hut rookwolken uit zijn korte pijp te blazen, met zulk een onverschillig gezicht, dat ik heelemaal vergat, dat wij in een vijandelijk dorp waren en het idee kreeg dat ik thuis was.

– Zoo! zijt gij daar ook! riep hij toen hij mij zag.

De hooge gestalte van luitenant Rosenkranz zag men nu hier, dan daar in het dorp. Hij liep onophoudelijk orders te geven, met het voorkomen van iemand, die het erg druk heeft. Ik zag hem, met een ernstig gezicht, uit een der hutten komen: achter hem sleepten de soldaten een geboeiden, ouden Tartaar voort. De grijsaard, die enkel gekleed was met een gescheurden, veelkleurigen kiel en een gescheurde broek, was zoo gebrekkig, dat zijn magere armen, stevig op den rug vastgebonden, nauwelijks aan zijn schouders schenen vast te zitten en hij kon zijn naakte en verdraaide voeten nauwelijks verzetten. Zijn gelaat, en zelfs een gedeelte van zijn kaalgeschoren hoofd, was met diepe rimpels doorploegd. Zijn tandelooze, scheeve mond bewoog onophoudelijk tusschen zijn grijzen baard en knevel, alsof hij op iets kauwde. Maar zijn oogen glinsterden nog tusschen de ontstoken oogleden; men las er duidelijk de onverschilligheid van den ouderdom voor het leven in.

Rosenkranz vroeg hem, door tusschenkomst van den tolk, waarom hij niet met de anderen was gevlucht.

– Waar zou ik heengaan? vroeg hij, terwijl hij rustig rondkeek.

– Waar de anderen zijn! riep iemand.

– De krijgslieden zijn tegen de Russen uitgetrokken, maar ik ben een oud man.

– Zijt gij dan niet bang voor de Russen?

– Wat kunnen de Russen mij doen? Ik ben een oud man, herhaalde hij en liet bedaard zijn blik over de omstanders gaan.

Toen ik er weer voorbijkwam, zag ik den grijsaard zonder muts, altijd nog gebonden, bibberend achter een Kozak op een paard zitten, en nog steeds met dezelfde onverschilligheid rondkijken. Men hield hem voor het uitwisselen der krijgsgevangenen.

Ik klom op het dak en ging naast den kapitein zitten.

– De vijand was niet talrijk, zeide ik, nieuwsgierig om te weten wat hij van het gevecht dacht.

– De vijand? herhaalde hij verwonderd; er was er in het geheel geen. Kan men dat een vijand noemen? Daar, gij zult eens zien, van avond, als wij ons terugtrekken, wat een uitgeleide hij ons geven zal. Daar zullen zij vandaan komen! en hij wees met zijn glas naar het bosch, dat wij dien morgen doorgetrokken waren.

– Wat is dat? viel ik den kapitein ongerust in de rede, en wees hem op eenige Donsche Kozakken, die niet ver van ons om iets heen stonden.

Uit hun midden stegen kreten op als van een klein kind, en de woorden:

– He, slaat niet! Houdt op!.. Men zou het zien… Gij hebt een mes, Evstignieitsch… Geef mij uw mes!

– Zij zijn bezig het een of ander te verdeelen, de deugnieten, zeide de kapitein rustig.

Op hetzelfde oogenblik kwam eensklaps de mooie vaandrig achter een hoek te voorschijn; met een rood, opgewonden gezicht en met de armen zwaaiend snelde hij op de Kozakken toe:

– Raakt het niet aan! Doet het geen kwaad! riep hij met een kinderlijke stem.

Op het zien van een officier gingen de Kozakken uit elkaar, en lieten een wit lammetje los. De jonge luitenant werd uiterst verlegen, mompelde iets voor zich heen en bleef met verwonderd gezicht voor hen staan.

Toen hij ons op het dak zag zitten, den kapitein en mij, kleurde hij nog meer, en met huppelende passen naar ons toekomende, zeide hij met een schuchter lachje:

– Ik dacht dat het een kind was, dat zij wilden vermoorden.




X


De generaal trok vooruit met de cavalerie. Het bataillon waarmee ik de vesting N** had verlaten, bleef in de achterhoede. De kompagnieën van kapitein Chlopoff en van luitenant Rosenkranz rukten gelijktijdig uit.

De voorspelling van den kapitein kwam precies uit. Nauwelijks waren wij in den smallen boschweg, dien hij mij gewezen had, of van weerskanten zag men onophoudelijk bergbewoners te paard en te voet voorbij ijlen, en zoo dicht bij ons, dat ik duidelijk kon zien, hoe sommigen hunner in gebukte houding en met het geweer in de hand van den eenen boom naar den anderen liepen.

De kapitein ontblootte het hoofd en maakte vroom het teeken des kruises. Eenige oude soldaten volgden zijn voorbeeld. In het bosch hoorde men wild krijgsgeschreeuw en de kreten: „Yaï! giaïoers! Oeroess[11 - Russen. Tartaarsch woord.] yaï!” Daarop volgden korte, knetterende geweerschoten; de kogels floten van alle kanten door het bosch. Stilzwijgend antwoordden de onzen met pelotonsvuur. Slechts af en toe hoorde men in de gelederen opmerkingen van dezen aard:




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/lev-tolstoy/kaukasische-vertellingen/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Een Kaukasische volksstam.




2


Muts van astrakan.




3


Toespeling op het type, door Lermontoff beschreven in „Helden van onzen tijd”.




4


Nationale dans der inboorlingen.




5


Dorp in de taal der inboorlingen




6


Gij weet dat ik een gelofte gedaan heb om de ontrouwen (of: ongeloovigen. Het is dus een woordspeling. Vert.) te bestrijden, pas dus op dat gij het niet wordt.




7


Het opgehoogde zand rondom de huizen.




8


De kikvorschen in den Kaukasus brengen een geluid voort, dat niets gemeen heeft met het kwaken van onze kikvorschen.




9


Luitenants.




10


Deze veldteekens hebben bij de bergbewoners bijna de beteekenis van vaandels, met dit onderscheid dat iedere „djighite” zijn eigen teeken kan maken en voeren.




11


Russen. Tartaarsch woord.


